Teeltverzorging

Vooral het eerste en tweede groei-jaar is een goede en regelmatige vochtvoorziening noodzakelijk. Het gewas beschikt dan nog over een beperkt en niet al te diep reikend wortelstelsel en het zoutgehalte in de grond is meestal hoger door de vrij zware bemesting voor de aanleg. Vochtgebrek uit zich vrij snel doordat bij de jonge scheuten de toppen afsterven (topsterfte). Ook na een periode met veel regen kan topsterfte ontstaan, omdat sommige grondsoorten dan erg dicht kunnen slaan. Dit heeft het ontstaan van zuurstofgebrek in de grond tot gevolg, waardoor de plant geen water meer kan opnemen.

Topsterfte kan echter ook optreden als vrij scherpe weersovergangen plaatsvinden, bijvoorbeeld van een natte en koude periode naar een erg warme en droge periode. Probeer topsterfte te voorkomen door regelmatig voldoende vocht toe te dienen. De vochtigheid van de grond aan de oppervlakte zegt niet alles. Op grotere diepte kan de grond toch nog erg droog zijn. Controleer de vochttoestand van de grond dus regelmatig en vooral op de diepte waar de meeste wortels zitten en waar dus ook het meeste vocht aan de grond wordt onttrokken. Als is geconstateerd dat de grond te droog is, moet worden beregend. Hoeveel water is afhankelijk van het stadium waarin de teelt zich bevindt. Wij maken onderscheid tussen beregenen tijdens de oogst en na de oogst. Het verdient aanbeveling de grond voor de oogst op veldcapaciteit te brengen. Tijdens de oogst moet dan zoveel worden beregend als voor het onderhoud van de bedden noodzakelijk is. Als wordt beregend met het doel de bedden te kunnen onderhouden, moet worden volstaan met giften van 5 à 7 mm per keer. Is de grond op grotere diepte te droog, dan verdient het aanbeveling om regelmatig met kleine hoeveelheden te beregenen en wel nooit meer dan 10 à 15 mm ineens. Bij grote giften daalt de temperatuur in de grond te veel, waardoor de oogst enkele dagen kan worden teruggezet.

Na de oogst, bij de ontwikkeling van het loof, kan royaler worden beregend. Een groeiend gewas verdampt in een groeiseizoen ongeveer 600mm water (onder Nederlandse condities), dat is 6000 m3 water per hectare. Vooral in droge perioden kan het gewas dan erg veel water aan de grond onttrekken. Om al te grote schokken in de grond te voorkomen, verdient het aanbeveling per keer niet meer dan 25 mm te geven. Als veel moet worden beregend, moet ervoor worden gezorgd, dat de kwaliteit van het water goed is. Indien na het beregenen en bruine kleur over het gewas achterblijft, is de kwaliteit van het water niet goed. De kwaliteit van het water wordt bepaald door de pH van het water, het ijzergehalte, het zoutgehalte en de aanwezigheid van organische zuren.

 

Asparagusrassen

Ons assortiment aspergerassen bied uitkomst aan vrijwel elke professionele teler.

Asperge teeltsysteem

De beste aspergeplanten zijn niets zonder een goed teeltsysteem.

Ziekten en andere plantbedreigingen

Aspergeplanten worden door allerlei ziekten en insecten bedreigd. Om tot een maximale productie te komen zijn een aantal voorzorgsmaatregelen en beschermingsmiddelen nodig.

Het opploegen

Het tijdstip van opploegen in het voorjaar kan moeilijk exact worden aangegeven. Als men zeer vroeg aan het werk gaat, is de grondtemperatuur laag. Dan komt veel koude grond op de plant, wat de oogst verlaat. Te laat opploegen is eveneens ongewenst. Als al te veel stengels zijn uitgelopen bij het opploegen, zal de kwaliteit van de eerste asperge slecht zijn. Daarom geldt als het beste tijdstip het moment waarop enkele stengels aan het uitlopen zijn. Op wat nattere en koude gronden kan beter in twee keer worden opgeploegd. Bij gebruik van anticondens-folie moeten de bedden zo vroeg mogelijk worden gemaakt en de folie direct worden aangebracht. Bij het opploegen mogen zo weinig mogelijk wortels worden beschadigd. Daarom moeten de schijven enigszins breed zijn gesteld, zodat de grond wat breder wordt weggehaald en niet al te diep uit de laag waarin zich veel wortels bevinden. Op ieder bed moet de grond in principe worden opgeploegd tot ongeveer 35 cm boven de kop van de plant. Bezakt blijft er dan 30 à 32 cm over. De bedden mogen noch aan de bovenkant, noch aan de zijkanten te vast worden aangedrukt, omdat dan teveel kromme stengels ontstaan en de stekers hiervan veel hinder bij de oogst ondervinden. Er moet recht worden opgeploegd, zodat de planten in het midden van het bed zitten. Ploeg geen stuif-droge grond op, want dan blijven de bedden niet zitten. Bovendien geleidt de grond de warmte slecht en komt de productie ook slecht op gang. Afhankelijk van de weersomstandigheden zullen de bedden tijdens het oogstseizoen enkele keren moeten worden opgeploegd.

Afploegen, of niet?

Na de oogst moeten de overgebleven stengels zo snel mogelijk uitgroeien om reservevoedsel te vormen voor het volgende productiejaar. In het verleden werd dit bespoedigd door het afploegen van de bedden. Door dit afploegen worden erg veel aspergestengels beschadigd. Beschadigde stengels groeien niet goed uit en remmen de ontwikkeling van de nieuwe stengels. Tevens zal een aanzienlijke productieverlies optreden. Een stengel per plant betekent 700 tot 1000 kg asperge per hectare minder. In de praktijk zien we langer hoe meer, dat wordt gestopt met het steken bij warm weer, waardoor het uitgroeien van de stengels ook word bespoedigd. Wat de bewerking betreft, zijn er twee methoden die kunnen worden toegepast zonder dat de stengels worden beschadigd. De eerste methode is het gedeeltelijk afploegen. Door de stand van de schijven te veranderen, wordt de grond naar buiten gewerkt, waarbij een rug van 25 cm juist boven de rijen intact blijft. Als meer grond wordt weggehaald verhoogt dit de kans op beschadiging. Het resterende gedeelte van het bed is ook nodig om de stengels voldoende steun te geven. Bij deze methode moet na het afploegen een chemische onkruidbestrijding worden uitgevoerd. Voor de meeste gronden verdient de tweede methode de voorkeur: niet afploegen. Meteen na de laatste keer oogsten wordt dan de chemische onkruidbestrijding uitgevoerd. Deze methode wordt in de praktijk steeds meer toegepast.

Loof opruimen

Gezien het feit dat de laatste jaren de schimmels Botrytis, loofroest en Stemphilium steeds meer voorkomen en het feit dat verwijderen van loof een opbrengstverhoging geeft is het aan te raden al het loof te verwijderen. Ook van de oudere percelen het loof verwijderen. Het loof 10 cm boven de kop van de plant afsnijden, verzamelen en afvoeren of op kleine hoopjes op het perceel verbranden. Het afsnijden uitvoeren met een mes dat onder een hoek van 45 graden achter de trekker bevestigd is. Op het mes enkele strippen zetten, waardoor het loof beter los komt te liggen. Alternatief is om het loof met een frees door het bed te mengen, dit kan nodig zijn als verbranden niet meer is toegestaan.

Bemesting

Een aspergegewas vormt in de loop van de zomer veel stengels en heeft dan een erg groot verdampend oppervlak. Om een gewas dat erg veel water verdampt optimaal te kunnen laten groeien, is veel water nodig. Een tekort aan vocht kan behalve door de droge grond ook worden veroorzaakt door een zware bemesting bij het beëindigen van de oogst. Door een te zware bemesting wordt de zoutconcentratie in de grond te hoog, waardoor de plant moeilijker water kan opnemen en dus eerder zal verdrogen. Onderstaand wordt advies gegeven voor een bemesting. In de herfst, na het verwijderen van het loof, kan een bemesting worden uitgevoerd met 25 tot 35 m3 organische mest per hectare. Organische meststoffen werken gunstig op de structuur, de beworteling en de luchthuishouding in de grond. Als deze bemesting in de herfst wordt uitgevoerd kan een bemesting met kunstmest achterwege blijven. Alleen gronden waar van nature gemakkelijk magnesiumgebrek voorkomt, kan een aanvullende bemesting plaatsvinden met 200 kg tot 300 kg Kieseriet (25% Mg). Op percelen waar niet met organische mest wordt gewerkt, kan een week voor het beëindigen van de oogst 300 kg NPK (12 + 10 + 18) per hectare. worden gestrooid. Deze bemesting kan nog worden aangevuld met een gift van 300 kg Kieseriet per herctare.

Aspergeteelt in volle grond

De aanleg van 1 hectare asperge kost al gauw €15.000,-. De latere opbrengsten kunnen sterk variëren, maar worden voor een belangrijk gedeelte bepaald door maatregelen die men neemt voor het planten. Behalve een goede voorbereiding en een zorgvuldige aanleg zal een vakkundige gewasverzorging noodzakelijk zijn voor een hoge rentabiliteit.

De tien geboden die bij aspergeteelt leiden tot optimale resultaten:

  • Begin tijdig met de voorbereidingen voor een productieveld;
  • Gebruik alleen geschikte grond;
  • Pas doelmatige diepe grondbewerkingen toe;
  • Zorg voor een goede voedingstoestand van de grond;
  • Kies het meest geschikte ras;
  • Eis plantmateriaal van een hoogwaardige kwaliteit;
  • Plant op tijd en zorgvuldig;
  • Zorg voor een goede vochtvoorziening;
  • Pas doelmatige gewasbescherming toe;
  • Oogst op tijd.

Aanplant

Voor het planten worden geulen getrokken van 25 cm diep (voor de productie van witte asperges) of 10 diep ( voor de productie van groene asperges) en afhankelijke van de op het bedrijf aanwezige mechanisatie( trekkers, spuiten) een rijafstand tussen 1.5 mtr en 1.7 mtr.

In sommige erg warme klimaten is een grotere rijafstand aan te bevelen.

In de geul wordt een klein heuveltje( 3 cm hoog) gemaakt waarop de plantenwortels worden uitgespreid. De nieuwe knoppen van de planten moeten in de lengterichting van de rij geplant worden, waardoor het gewas later op dezelfde plaats in bed zal groeien.

De beste afstand tussen de planten in de geulen is 25 cm. De planten moeten direct worden afgedekt met ongeveer 8 cm grond. Als de planten ontsmet zijn dan mogen ze niet door de zon opdrogen alvorens ze geplant worden.

Onder droge omstandigheden is water geven aan te bevelen.

Gedurende de zomer wordt de geul langzaam bij herhaalde grondbewerkingen dicht gemaakt. Tijdens deze grondbewerkingen wordt tevens het jonge onkruid bestreden. Als laatste bewerking wordt een klein heuveltje tegen de nieuwe stengels gemaakt, waardoor in de winter als het loof verwijderd is, de rij nog teruggevonden kan worden. Precies werken en mooie rechte rijen maken voorkomt veel ergernis.

Momenteel zijn er diverse plantmachines in de handel die voor het nauwkeurig planten kunnen zorgen. Wellicht dat uw loonwerker zo’n machine heeft.

De oogst van asperges

Asperges moeten eenmaal per dag worden geoogst. Bij voorkeur elke morgen omdat asperge verkleurd als hij aan licht wordt blootgesteld. Bij erg warm weer dient 2-maal per dag geoogst te worden. Als de opkomende stengels een stervormige breuk in het bedoppervlak veroorzaken, is de plaats waar een stengel bijna voor de dag komt duidelijk te herkennen. De oogstbare stengel wordt voor een deel blootgegraven en met een aspergemes afgesneden. De opening wordt daarna weer gesloten en aangedrukt. Groene asperges worden met een mesje afgesneden als ze voldoende ver boven de grond komen.

De lengte van de oogstperiode
Het eerste jaar is het plantjaar, waarin geen oogst gaat plaatsvinden. In het tweede jaar zal de oogst plaatsvinden zolang er geen gevaar bestaat dat de opkomende stengels door nachtvorst worden vernietigd. Meestal is dat tot 10 mei. In het derde jaar zijn de planten sterk genoeg om een maand lang goede stengels te produceren. Meestal wordt het oogsten gestopt tijdens een warme periode rond 1 Juni. In het vierde jaar kan een vol seizoen geoogst worden. Dit is tot 24 Juni.

Bij gebruik van folie zal eerder met oogsten gestopt moeten worden om de plant meer tijd te geven zich te herstellen. Beëindiging van de oogst kan het beste plaatsvinden tijdens een warme periode. De stengels zullen sneller uitgroeien en zwaarder loof maken. Stoppen tijdens lage temperaturen geeft veelal een matige stand.

Koelen en bewaren

De geoogste asperge dient na het steken zo snel mogelijk gekoeld te worden met koud en fris water en uit het zonlicht gebracht worden. Hiervoor zijn shock-coolers en transportable watertanks op de markt. De asperges zal zuur worden als hij te lang in te warm water moet staan, verversen om de 2-3 uur is noodzaak. De totale tijd dat de stengels onder water kunnen blijven is maximaal 6 uur. Wanneer de stengels uit het water zijn, moeten ze wel donker bewaard worden.

Wassen en sorteren

Pas geoogste asperge, die vuil opdroogt, is naderhand bijna niet meer schoon te krijgen. Momenteel zijn goede was-snij-sorteermachines in de handel. De sortering zal moeten gebeuren conform de eisen van de afnemer.

De voorbereidingen op het perceel

Zowel in, als op de grond zullen voorafgaande aan het uitplanten, een aantal cultuurtechnische maatregelen genomen moeten worden. Men dient zorgvuldig na te gaan hoe, wat en wanneer er iets moet gebeuren. Nu kan er nog gecorrigeerd worden, als er geplant is niet meer.

Afdekking met zwart/witte folie

Om te bereiken dat per dag meer uren geoogst kunnen worden en om invloed te kunnen uitoefenen op de groeisnelheid kan gebruik gemaakt worden van afdekking met zwart/witte folie.

Omdat de folie het licht wegneemt van de aspergeruggen zal de asperge niet meer verkleuren, dit is zo ongeacht of de zwarte zijde of de witte zijde bovenligt. In de aanloop naar het seizoen en tijdens koele periodes kan volstaan worden met een keer oogsten per twee dagen zonder op de kwaliteit in te boeten. Tijdens koele periodes zal de zwarte zijde boven tot gevolg hebben dat de rug enigszins wordt opgewarmd waardoor de productie zal toenemen. Tijdens een erg warme periode zal de witte zijde boven tot gevolg hebben dat de rug minder opwarmt, waardoor de productie naar beneden zal gaan. Hiermee wordt voorkomen dat veel asperge tegen lage prijzen moet worden gestoken.

Tijdens de oogst zal de folie met de hand of machinaal van de rug verwijderd moeten worden en direct na de oogst weer op de rug moeten worden terug gelegd.

De zwart/witte folie kan meerdere jaren gebruikt worden.

Bewortelbare diepte

Asperge is een gewas dat met zijn wortels graag diep gaat. De bewortelingsdiepte wordt in grote mate bepaald door de weerstand van de grond en vooral die van de ondergrond. Uit onderzoek en praktijkgegevens is komen vast te staan dat de levensduur van de asperge-aanplant afhankelijk is van de bewortelingsdiepte. Elke 10 cm bewortelbare laag staat garant voor 1 oogstjaar. Het is dan ook van het grootste belang ervoor te zorgen, dat de bewortelingsdiepte zo groot mogelijk is. In de praktijk betekent dit, dat wordt gestreefd naar een bewortbare laag van minimaal 1 mtr. Omdat veel gronden worden aangetroffen met een "dek" dat varieert van 40 tot 70 cm, is het noodzakelijk die resterende 30 tot 60 cm ook voor de wortels toegankelijk te maken.

Wel is van belang dat u zich realiseert dat elk perceel anders is en dat daardoor ook elk perceel zijn eigen aanpak nodig heeft. Om tot de juiste aanpak voor uw perceel te komen, moet u vooraf uw voorlichtingdienst raadplegen. Op gronden waar de bewortelbare laag minder is dan 1 mtr, zal in de meeste gevallen een diepe grondbewerking in de vorm van diepspitten noodzakelijk zijn. Diepwoelen heeft alleen maar zin als een storende laag van enkele centimeters aanwezig is. Profielen met een sterk lemige en verdichte ondergrond moeten alleen onder droge omstandigheden worden bewerkt. Op gronden waar grondwater binnen de bewortelbare laag invloed heeft of waar door een diepe grondbewerking deze situatie kan ontstaan, mag nooit een diepe grondbewerking worden uitgevoerd. Gronden met een grondwaterinvloed binnen de bewortelbare zône zijn ongeschikt voor de teelt van asperges. Gronden die van nature tot 1m bewortelbaar zijn, mogen niet diep worden bewerkt. Op deze gronden kan worden volstaan met een bewerking tot een diepte van 50 cm. Spitten heeft dan de voorkeur omdat daardoor de meststoffen goed door de bovengrond worden gemengd.

Groenbemester

Mocht het voor uw perceel noodzakelijk zijn dat een diepe grondbewerking wordt uitgevoerd, dan moet dit minimaal een jaar voor aanleg worden gedaan. De grond krijgt de kans te bezakken en opnieuw te zorgen voor een goede structuur en natuurlijke vochtaan- en afvoerwegen. Om dit te stimuleren, is het gunstig na het spitten een groenbemester te telen. Enerzijds wordt daarmee organische stof in de grond gebracht en anderzijds wordt de structuur verbeterd door de beworteling van de groenbemester. Bij een grondbewerking van 50 cm is het ook noodzakelijk dat deze zo vroeg mogelijk, maar uiterlijk in het najaar voor de aanleg, wordt uitgevoerd.

Bekalken

De toe te dienen bemesting en de manier waarop, zal afhankelijk zijn van de gedane grondbeoordeling en de uitslag van een te nemen grondmonster. Zeker voor deze teelt is het van belang dat u op tijd een grondmonster laat steken. Een van de belangrijkste zaken waarop onderzocht wordt is de zuurgraad. De zuurgraad wordt uitgedrukt in pH-KCl. Het advies ten aanzien van de zuurgraad is dat de pH-KCl boven 5.8 moet zijn. Als deze lager is dan zal een aanvullende bekalking nodig zijn. De hoeveelheid toe te dienen kalk is afhankelijk van de uitslag van het grondmonster, het organische stofgehalte en van de soort organische mest die u wilt gebruiken. Is het organische stofgehalte laag dan moet men zuinig zijn met kalk, omdat deze meststof de zo noodzakelijke organische stof versneld zal afbreken. Op percelen die een diepe grondbewerking moeten ondergaan, moet 2000 kg kalk extra worden gegeven boven de hoeveelheid die wordt geadviseerd op het uitslagformulier van uw grondmonster. Dit om de extra lage pH van de ondergrond te corrigeren. Daar in de praktijk vrij veel organische mest wordt toegediend, zal een kunstmestgift vaak achterwege kunnen blijven. Magnesium zal hierop nogal eens een uitzondering vormen. Van dit element is vrij veel nodig zodat, afhankelijk van soort en hoeveelheid organische mest, een aanvulling nodig kan zijn. Vaak wordt magnesium op de rij toegediend in het eerste groeijaar.

Organische mest

Om het vochthoudend vermogen van een grond te verhogen en om een mooie rulle structuur van de bedden te krijgen, is het toedienen van organische mest vaak zinvol. Op lichte zandgronden is het erg belangrijk dat het vochthoudend vermogen wordt vergroot. Op gronden met een hoog percentage afslibbare delen en op zware stugge veldgronden zal door de bemesting de bewerkbaarheid worden verbeterd. Nogmaals, elk perceel is anders en vraagt zijn eigen aanpak. Toch is in al de verschillende adviezen wel een algemene lijn te bespeuren en wel de volgende. Gronden waar een diepe grondbewerking noodzakelijk is, moeten voor de grondbewerking 100 m3 stalmest of champignonmest aangevuld met 50 m3 drijfmest per hectare krijgen toegediend. U zult rekening moeten houden met nationale regelgeving omtrent maximale mestgiften. Gronden met een grondbewerking tot een diepte van 50 cm moeten 100 m3 stalmest of champignonmest voor de bewerking krijgen toegediend. Champignonmest is een organische mestsoort die veel kalk bevat. Per 1000 kg bevat deze mest ongeveer 50 kg zuivere kalk.Deze mest verdiend te voorkeur als de bewerkbaarheid moet worden verbeterd. Op lichte zandgrond zal stalmest de voorkeur krijgen, omdat hier meer binding van de grond is gewenst.